19
jul

Poppenkast

Als ik naar theater ga zijn de stoelen altijd te hard. Ik heb de manier nog niet gevonden om een hele voorstelling te blijven zitten. Ik leun naar voor, naar achter, schuif een been over het andere, wissel. Bij de pauze zou ik vaak al naar huis gaan, maar ik doe het niet omdat het niet staat. In de bioscoop zijn de stoelen altijd te zacht.
Als Ona naar de poppenkast gaat, zit ze aan haar stoel genageld. Over haar gezicht veegt de ene emotie de andere weg: paniek (open mond), angst (hand in de mond geklemd), spanning (gebalde vuisten gaan de lucht in), opluchting (ze kijkt lachend rond op zoek naar mama). Als het gordijn valt, vraagt ze me wanneer het opnieuw begint. Als ik zeg dat het gedaan is, gaat ze naar de poppenspelers en stelt hen dezelfde vraag.

Piemels

Als ze groot is dan wil Ona een piemel. Voornamelijk om rechtop te kunnen plassen. Eraan trekken en prutsen, kan ze al, daar heeft ze een klein broertje voor. Jef begint af en toe al eens ongeduldig te slaan als zijn zus teveel nieuwsgierigheid aan de dag legt voor zijn voortplantingsorgaantje. Zelf vindt hij er niet zoveel aan (voorlopig). Af en toe graait hij eens gezellig naar zijn ballen, of zit hij wat verveeld aan zijn lulletje te trekken, blik op oneindig.
Maar gisteren heeft zich toch een stukje van deze wondere wereld aan hem geopenbaard. Ik trof hem aan in stille bewondering voor zijn vader die zich stond te douchen. Ik denk dat hij net beseft had dat het geen wratje is dat hij daar heeft hangen.